Twee werelden komen samen

Met de totstandkoming van de Universiteit voor Humanistiek werden twee werelden samengebracht: die van het Humanistisch Opleidingsinstituut (HOI) en die van de nieuwe collega’s die vanuit academia in de net opgerichte universiteit werden geparachuteerd. Voor veel medewerkers van het HOI betekende de overgang naar een universitaire opleiding een cultuurschok. Vier docenten van het HOI beschrijven hoe zij deze overgang persoonlijk hebben ervaren.

Eerste smoelenboek (1990)

Eerste smoelenboek (1990)

Bekijk HIER het volledige smoelenboek uit 1990

Rob Buitenweg (werd universitair docent praktische Humanistiek): “Toen het HOI universiteit werd, kwamen er ook mensen van buiten, met name nieuwe hoogleraren. En die waren in eerste instantie sturend in het invullen van de wetenschapsschool van de UvH. Ik had me wat uit het gewoel teruggetrokken, omdat ik me ging storten op mensenrechten, en dat was een thema dat niet midden in het centrum van het beroep lag. Ik ben niet sturend geweest in de vormgeving van de vakken.

De komst van de hoogleraren leverde in het begin wel wat frictie op. De mensen werden van buiten aangetrokken als hoogleraar zijnde, en dus hadden zij de taak om een nieuwe universiteit vorm te geven en zichzelf daarmee waar te maken. Ze moesten laten zien dat ze met recht hoogleraar zijn aan de nieuwe universiteit. De sfeer op het HOI was amicaal. Dat werd op de UvH iets minder, maar dat kwam volgens mij vooral door het grotere aantal docenten. En door het binnenstromen van vreemden, die later wel werden geïntegreerd. Die vreemden zullen ook wel eens gedacht hebben: hoe komen we hier in, en hoe komen we hier doorheen? Want voor de buitenwereld zal die HOI-groep soms toch ook wel een beetje gesloten zijn geweest.

Vooral wanneer het ging over de identiteit van het beroep ging de integratie tussen oude en nieuwe werknemers met horten en stoten. Bij het Humanistisch Opleidingsinstituut was er door de jaren heen een idee over de identiteit van het beroep gegroeid, en nu kwamen er andere mensen een bijdrage leveren. En die bijdragen werden niet altijd even enthousiast omarmd. Dus in het begin was er best wat discussie over wat nu eigenlijk het typische geestelijk werk is en hoe je dat wetenschappelijk moet benaderen. Ik vond het niet erg dat ik me daar een beetje uit kon terugtrekken en me kon storten op mensenrechten.”

Dieuwertje Bakker (op de foto, werd methodologiedocente, en in de jaren negentig Portefeuillehouder Onderwijs in het College van Bestuur) : “Pas achteraf ben ik gaan inzien hoe heftig de overgang eigenlijk was. Ik houd het bij flarden van beelden die ik voor me zie: terreinverkaveling door de pasbenoemde hoogleraren op studiedagen, het zo heftig opschudden van de vertrouwde HOI-kussens dat een deel van de vulling verdween, de grote hoeveelheid testosteron die de organisatie binnenstroomde, de kans om binnen de eigen organisatie van baan te veranderen, intellectuelere studenten, en minder ‘moeders’ in de collegebanken.”

John Brobbel (werd universitair docent groepsdynamica): “De overgang van het HOI naar de UvH heb ik indertijd als een bevrijding ervaren. De wereld van het HOI, zowel de omgang van de docenten onderling als de werk- en studierichting, kreeg op termijn voor mij iets benauwends omdat het erg naar binnen gericht was met een grote nadruk op de psychologische zienswijze en verwerking. Wat ontbrak was de sociale en maatschappelijke component. Door de komst van de nieuwe collega’s als Harry Kunneman en Douwe van Houten ging voor mij een wereld open en kreeg het humanisme voor mij een verdiepende dimensie.

Ik werd, mede door de mogelijkheid om alsnog af te studeren, uitgedaagd om mij opnieuw in het humanisme te verdiepen en het draagvlak van het geestelijk werk te verbreden. Vooral door dit te plaatsen in een maatschappelijke context. De titel van mijn eindscriptie luidde dan ook Humanisering en inspiratie. De overgang van het HOI naar de UvH heeft voor mij niet alleen in beroepsmatige zin maar vooral in persoonlijke zin veel betekend. Ik ben mijn vroegere collega’s en mede studenten heel erg dankbaar voor hun ondersteuning en de liefde die ik heb mogen ontvangen.”

Ton Jorna (oud directeur van het HOI, werd universitair hoofddocent): “Op 11 en 12 mei 1989 kwamen het College van Bestuur en vele medewerkers – onder wie de zes nieuwe hoogleraren – bijeen om vele met name onderwijszaken door te spreken. Ik herinner me dat er direct een dispuut ontstond over humanisme, levensbeschouwing, onderwijsbeleid en wetenschapsbeoefening. De hoogleraren roerden zich danig, en vele HOI-docenten volgden het allemaal met spanning. Een enkeling mengde zich in de discussie. De nieuwe verhoudingen hadden zich gemanifesteerd.

Met de benoeming van de hoogleraren waren we wel blij gezien wat we van ze hadden gelezen en hoe ze zich hadden gepresenteerd. Opvallend minpunt was dat er geen vrouwelijke hoogleraar tussen zat, en het feit dat juist het ‘eigen’ vak Theorie en praktijk van het geestelijk werk het moeilijkste bleek in te vullen. Door mijn promotieonderzoek was ik vrijgesteld van ander werk, met name van onderwijszaken,  en ik was dus niet betrokken bij veel opbouwbeleid. Ik zag wel dat er van alles veranderde, dat allerlei dingen anders liepen, maar dat volgde ik op afstand en stoorde me niet. In het docententeam zag ik een cultuurwijziging: van een saamhorig team naar een professionele autonomie in onderwijs en wetenschapsbeoefening.”

Reageer op dit verhaal

Reageer

Je e-mailadres wordt niet getoond. Velden met een * zijn verplicht.

*