De raadsliedencursus van Jaap van Praag

Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd in Nederland de begeleiding van mensen met levensbeschouwelijke vragen vooral verzorgd door religieuze instellingen. Jaap van Praag, leidend figuur van de humanistische beweging en vader van het Humanistisch Verbond, wilde ook de belangen van mensen behartigen zonder religieuze achtergrond.

Van Praag werd in dit streven diepgaand beïnvloed door zijn ervaringen met het opkomende en heersende fascisme in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw, en de Tweede Wereldoorlog. Oriëntatie en inspiratie van een bewust beleefde levensbeschouwing zoals het humanisme, konden mensen weerbaar maken tegen de krachten en verleidingen van totalitaire massabewegingen, vond Van Praag.

004.-congres-jva,-spreker-jaap-van-praag

Jaap van Praag op een bijeenkomst van de Jongeren Vredes Actie in Friesland in de jaren dertig van de 20e eeuw (Foto: Tjidsger de Vries)

De eerste raadsliedencursus (1953)
Vanaf begin jaren vijftig bouwde het Humanistisch Verbond onder leiding van Van Praag een dienst geestelijke verzorging op. Men verwachtte dat er veel vrijwilligers nodig zouden zijn, ook voor geestelijke verzorging aan gedetineerden en militairen. Voor de instructie van deze (aspirant) raadslieden redigeerde Jaap van Praag in 1953 een samenhangende inleiding die voor het eerst deze nieuwe werksoort beschreef. De raadsliedencursus – een gewijzigde herdruk volgde in 1958 – werd meer dan vijftien jaar gebruikt in de opleiding van humanistisch geestelijk raadslieden.

Droogzwemmen
Van Praag omschreef geestelijke verzorging als ‘de systematische ambtshalve bemoeienis met de mens in zijn geestelijke moeilijkheden, teneinde de krachten te activeren die hem in staat stellen zelfstandig een levensvisie te hanteren, waardoor hij met zijn totale zijn betrokken is op het totaal van zijn bestaansverhoudingen’. Als het een geestelijk raadsman lukte om een ander te stimuleren in het vormen van een samenhangende en alomvattende kijk op het leven, dan stond die persoon weerbaarder in het leven, was de gedachte.
Hij vergeleek een schriftelijke cursus met een leergang in droogzwemmen. Men leert er geen zwemmen mee, maar het kan een steun zijn in de praktijk. Daarnaast was ook supervisie nodig. Uiteindelijk werd gestreefd naar ‘de innerlijke verwerving van een voor het werk vereiste houding’, die alleen in de praktijk en door een ‘intensieve verwerking van psychologische en levensbeschouwelijke motieven’ verworven kon worden.

Zelfbeschikkingsrecht
Geestelijke verzorging was gericht op ‘de diepte van de levensovertuiging’. Daarin onderscheidde een geestelijk raadsman zich volgens Van Praag van een maatschappelijk werker of psycholoog. Hoewel de gesprekspartner wel enige affiniteit met seculier humanisme moest hebben om zich te kunnen verstaan met een geestelijk raadsman, was het niet noodzakelijk om dat aan te hangen of er zelfs maar bewust van te zijn. Van humanistische ‘woordverkondiging’ was volgens Van Praag geen sprake, omdat men iemand het humanisme niet kon aanpraten.
Humanistische geestelijke verzorging berustte op het zelfbeschikkingsrecht van de ander. Levensbeschouwelijk humanisme mocht wel ter sprake komen, maar het grootste deel van de tijd was het slechts impliciet aanwezig in de houding van een geestelijk raadsman. De humanistische ‘boodschap’ voor de met levensproblemen worstelende mens bleek uit een diep geloof in de mogelijkheid van een menswaardig leven.

Moed en trouw
Van Praags humanisme was sterk personalistisch en existentialistisch gekleurd. Hij stelde menselijke ontplooiing onder de norm van verantwoordelijkheidsbesef, dat wil zeggen het menselijke streven om ‘in zijn ontplooiing “antwoord” te geven aan de uitdaging, waarvoor het geheel van de situatie waarin hij leeft, zijn mens-zijn stelt’. Dat geheel omvatte uitdrukkelijk de ander en het andere. Humanisme is anti-egoïsme, aldus Van Praag.
Een geestelijk raadsman kon een cliënt helpen in zijn levensmoeilijkheden door te appelleren aan ‘de herstellende krachten van het leven’. Tegenover schuld, vereenzaming, wanhoop en vertwijfeling stelde hij motieven als trouw aan de levenssituatie in zijn volle omvang en moed om het leven zelf vorm te geven. Deze motieven getuigden van een tragisch heroïsch mensbeeld. Ook kon de raadsman ‘getuigenis’ afleggen van de zin van het bestaan.

Mysterie mens
Zingevend waren volgens Van Praag die momenten waarin een mens zichzelf overstijgt, zoals in creatieve arbeid en in de beleving van gemeenschappelijke verbondenheid. Met zijn houding stelde een geestelijk raadsman de ander in staat een vollediger mens te zijn. Hij bood de ander de gelegenheid ‘zijn levensconflict in een gezuiverde sfeer opnieuw aan de orde te stellen en de afgebroken draad weer aan te knopen’. Kenmerkend voor de houding van geestelijk raadslieden was dat zij zich konden openstellen voor het mysterie mens. In ‘grote schroom’ moesten zij proberen de menselijkheid die zich in dat mysterie openbaarde te verstaan en ‘dienend behulpzaam te zijn’ bij de realisering daarvan. Van Praag eindigde de cursus met de Bijbelse(!) woorden: ‘doe Uw schoenen van Uw voeten, want gij staat op heilige grond’.

Met dank aan Wouter Kuijlman.

Verder lezen:
•    J.P. van Praag (red.), Geestelijke verzorging op humanistische grondslag (Utrecht, 1953).
•    Carla van Baalen, ‘Gij staat op heilige grond’. De eerste cursus humanistische geestelijke verzorging (1953), in: T. Jorna (red.), Door eenvoud verbonden. Over de theorie en de praktijk van het humanistisch raadswerk (Utrecht, 1997).

Reageer op dit verhaal

Reageer

Je e-mailadres wordt niet getoond. Velden met een * zijn verplicht.

*