Harry Kunneman en het Dikke Ik

Harry Kunneman is sinds de oprichting verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek als hoogleraar, met als eerste leerstoel Praktische humanistiek en, later Sociale en politieke theorie. Van 2000 tot 2004 was hij ook rector, en van 2009 tot 2013 was hij wetenschappelijk directeur van de Graduate School. Een terugblik op vijfentwintig jaar UvH en vijfentwintig jaar conceptueel en kritisch denkwerk. Van theemutscultuur, walkman-ego, dikke-ik, trage vragen tot normatieve professionalisering en waardenwerk.

Kunneman is een van de weinigen die twee keer een oratie hielden aan dezelfde universiteit, in 1989, en onlangs nog in 2013. Bekijk filmopnames van beide oraties, verzameld door Jochum Damstra:

Play video

De begintijd
Hoe raakte u betrokken bij de Universiteit voor Humanistiek?
“Ik zag in 1989 een advertentie in de krant, dat was mijn eerste kennismaking met de Universiteit voor Humanistiek. Het was de post van hoogleraar Wetenschapstheorie, een van mijn specialisaties destijds. Die post ging naar Ilja Maso, maar mij is toen gevraagd hoogleraar Praktische Humanistiek te worden. Ik moest daar over nadenken omdat ik ook een aanbieding had van een andere universiteit, en omdat ik sterk conceptueel georiënteerd ben. Deze leerstoel was vooral praktijkgericht.

Een vriend wees me er op dat het geestelijk raadswerk plaats vindt in gevangenissen, ziekenhuizen, in het leger, dat wil zeggen in de ‘panoptische instituten’ waar Foucault over schreef. Dat trok me over de streep. Samen met het feit dat de universiteit een vorm van wetenschapsbeoefening voor staat die gericht is op humaniteit en humanisering.”

Wat was uw startpunt?
“Een belangrijke inzet van de nieuwe universiteit en een wens van de staf was de wetenschappelijke onderbouwing van het geestelijk raadswerk: het ontwikkelen van een theoretisch fundament, in combinatie met empirisch onderzoek. Ik was destijds diep ‘in’ Habermas en de kritische theorie. Mijn proefschrift De waarheidstrechter behandelde het communicatie-theoretische perspectief van Habermas en dat bood, samen met ideeën van Foucault, een stevig conceptueel kader om het raadswerk in een bredere context te plaatsen.”

Hoe bent u uw onderzoekspraktijk gaan vormgeven op de nieuwe universiteit?
“Toen ik begon als hoogleraar was er al veel, vooral praktisch gerichte literatuur over het raadswerk, opgebouwd vanuit de eerste cursussen eind jaren ’50 en later vanuit het Humanistisch Opleidingsinstituut. De vakgroep Praktische Humanistiek bestond grotendeels uit praktijkdocenten die nog moesten afstuderen, behalve Ton Jorna, die ging promoveren. Alle vakgroepsleden gingen dus onderzoek doen, op basis van hun jarenlange ervaring op het gebied van humanistisch geestelijk werk.

Het onderzoek van Ton Jorna, Denijs Bru en John Brobbel heeft mij erg geholpen om meer voeling te krijgen met de praktijk van het raadswerk. Dat gold in het bijzonder voor het onderzoek van Elly Hoogeveen: een sterke, markante persoonlijkheid, die ook analytisch sterk was. Zij kon goed overweg met het Habermassiaanse systeem-leefwereldkader. Dat heeft ze toegepast op een ziekenhuis en het brandwondencentrum waar ze part time werkte als humanistisch raadsvrouw, naast haar werk op de UvH. Daar schreef ze een prachtig boek over: Eenvoud en strategie.

Uit de verschillende onderzoeken kwam langzamerhand naar voren dat de analyse van Habermas wel kon dienen als kritisch kader om de systemische onverschilligheid rond existentiële vragen te verklaren, en het wegduwen van de normatieve aspecten in het raadswerk. Dat noemden we ‘de kolonisering van de leefwereld’. Maar in andere opzichten bleek zijn analysekader te veel gebonden aan het idee van rationele argumentatie en machtsvrije communicatie. De onderliggende existentiële laag en alle emotionele complexiteit die daar mee verbonden is, ontbrak. Zowel confrontaties met eindigheid als confrontaties met geweld en agressie miste ik. En meer: alles wat later ‘trage vragen’ is gaan heten. En die spelen in ziekenhuizen en verpleeghuizen en gevangenissen en het leger natuurlijk een grote rol.

Mijn kennismaking met de praktijk van het geestelijk werk en met mensen die daar erg goed in waren, boden mij een belangrijke voedingsbodem om geleidelijk afstand te nemen van Habermas’ theorie van het communicatieve handelen. Ik ging op zoek naar andere conceptuele hulpbronnen om een complexer beeld te ontwikkelen van wat tussen raadslieden en cliënten aan de orde kon komen en wat daar emotioneel en ethisch in speelt. Mijn kennismaking met het raadswerk en de reflectie op de eigenheid daarvan, vormde bovendien een belangrijke grondslag voor de geleidelijke ontwikkeling van het begrip ‘normatieve professionaliteit’. Mijn komst naar de Universiteit voor Humanistiek heeft dus belangrijke en in mijn ogen zeer vruchtbare impulsen gegeven aan de ontwikkeling van mijn denken de afgelopen 25 jaar.”

Het werk
Vertelt u eens iets meer over uw werk?
“Na vele jaren het werk van Habermas te hebben bestudeerd en diens inzichten te hebben verbreid, en zelfs het verlichtingsproject te hebben verdedigd tegen postmoderne denkers, nam ik langzaam afstand van Habermas’ rationalistische theorie, waarin alle aandacht uitgaat naar de actor als talig wezen en waarin de eigen betekenis in het menselijk bestaan van de lichamelijkheid, van het gevoel en het verlangen, in het duister gehuld blijft.
Het postmoderne denken is ook aan het eind van de twintigste eeuw volgens mij onontbeerlijk om een verhelderende tijdsdiagnose te stellen, en zeker voor het verkrijgen van een goed inzicht in vraagstukken van de hedendaagse moraal en moraliteit.

In mijn boek Van theemutscultuur naar walkman-ego uit 1996 gebruik ik het begrip postmoderne individualiteit om aanknopingspunten te vinden voor een optimistisch toekomstbeeld. De postmoderne individualiteit brengt voortdurende concurrentie- en prestatiedruk met zich mee, maar biedt ook bevrijding van de verstikkende ‘theemutscultuur’ van een verzuilde samenleving.”

U verdiepte zich in de moraliteit van de postmoderne cultuur.
“In mijn boek Postmoderne moderniteit uit 1998 bestrijd ik het wijd verbreide idee dat er in de postmoderne en ontzuilde tijd sprake is van een ver reikende en diepgaande crisis in de moraal, van een verval van waarden en normen op grote schaal en een hierdoor ernstig bedreigde sociale cohesie. Wél juist is dat de moraal bezig is van gedaante te veranderen, en dat vroegere specifieke vormen van sociale integratie zijn achterhaald.

Deze veranderingen bieden juist de mogelijkheid om nieuwe beddingen te ontwikkelen voor het morele verlangen en de emotionele betrokkenheid op een betere wereld. Ik sluit aan bij Lyotards analyse van het failliet van de grote verhalen van de moderniteit, maar ben wel kritisch over de sombere toonzetting van zijn analyse en zijn verwaarlozing van de postmoderne ontwikkeling van het bijkomen van verlangen. Daarnaast gaan onder andere Foucaults analyse van de praktijk van de sociale wetenschappen en machtswerkingen, en Luce Irigaray’s kritiek op het logocentrisme van het westerse denken een rol spelen in mijn werk. Nietzsche is terug te lezen als inspirator voor het ‘eigen’ anders zijn en het eigen verlangen.

De moraliteit in de postmoderne cultuur kan niet langer voorondersteld worden en is niet overkoepelend van karakter, maar hoe indirect soms ook: zij is steeds betrokken op de bredere maatschappelijke en culturele context en mede gericht op het behartigen van centrale maatschappelijke vraagstukken rond rechtvaardigheid, kwetsbaarheid en duurzaamheid en van de eigen verantwoordelijkheid hierin.

Dit lijkt te worden tegengesproken door verontrustende maatschappelijke verschijnselen die ik waarneem in de huidige postmoderne tijd en waarvan ik rekenschap geef in mijn boek Voorbij het dikke-ik uit 2005.”

Waarover gaat het vaak aangehaalde boek ‘Voorbij het dikke-ik’?
“Ik constateer in dit boek dat in het voorafgaande decennium het ‘dikke-ik’ zich in het sterk geïndividualiseerde en welvarende Nederland heel breed had gemaakt, en dit wel op drie met elkaar samenhangende niveaus: persoonlijk, organisationeel/groepsgewijs, en mondiaal/planetair. De opmars van dit dikke-ik brengt fundamentele morele problemen van het Verlichtingsproject aan het licht, die verbonden blijken te zijn aan de door haar beleden idealen van vrijheid en autonomie voor het individu. Vanuit empirisch gezichtspunt valt deze opmars van het dikke-ik samen met de verbreiding en dominantie van de kapitalistische consumptiemaatschappij over de hele wereld, en dit mét alle hiermee gepaard gaande spanningen en verleidingen.

In naam van welke waarden kunnen de vrijheid en de dikke autonomie van het onverzadigbare dikke-ik in het dagelijks leven moreel begrensd worden, zonder diens uniciteit geweld aan te doen? Deze centrale vraag wordt in Voorbij het Dikke Ik beantwoord vanuit een kritisch, toekomstgericht, humanistisch perspectief met behulp van de begrippen diepe autonomie, horizontale transcendentie, normatieve professionaliteit en maatschappelijk verantwoord organiseren.

In de vreedzame begrenzing van het dikke-ik kan de autonomie van het individu zowel erkend als overstegen te worden. Hij wil het moderne autonomiebegrip zodanig herinterpreteren en verdiepen, dat de zelfgerichte oriëntatie ervan ingebed wordt in een ruimer sociaal en narratief weefsel, waarin de autonomie van individuen verbonden wordt met vormen van verwikkeling in, begrenzing door, en betrokkenheid op anderen en op de toekomst van onze wereld als geheel. Niet alleen op relationeel niveau, maar ook – via normatieve professionalisering – in de context van werken en organiseren.”

De toekomst
In 2013 gaf Kunneman deze leerstoel op omdat hij 65 werd, en accepteerde hij een persoonlijk hoogleraarschap Sociale filosofie, in het bijzonder theorie en praktijk normatieve professionalisering, waarvoor hij in november 2013 een oratie hield.

Wat gaat u in de drie jaar van uw persoonlijk hoogleraarschap nog verzetten?
“Voor mij zijn twee dingen erg belangrijk. Ten eerste het verder ontwikkelen van de theorie en praktijk van de normatieve professionalisering en ten tweede de Graduate School van de Universiteit voor Humanistiek en mijn promovendi daarbinnen. De theorie en praktijk van normatieve professionalisering vormen een rijk onderzoeksveld, dat voor de verdere ontwikkeling van de humanistiek en de beroepsmogelijkheden van onze afgestudeerden in mijn ogen ook nog onbenutte potenties heeft.
Een jaar geleden heb ik samen met anderen een doorstart van het Tijdschrift voor Humanistiek tot stand gebracht, onder de nieuwe naam Waardenwerk. ik denk dat ‘waardenwerk’ een interessante naam zou kunnen zijn voor allerlei functies van humanistici buiten het domein van het geestelijk werk. We zouden dan op de UvH op kunnen gaan leiden voor geestelijk werk en voor waardenwerk. Waardenwerk heeft zowel betrekking op het niveau van individuele zingeving en morele oriëntatie, als op werken aan waarden in professionele contexten en in organisaties tegen een breder maatschappelijke horizon.

Waardenwerk is echter niet meer gebonden aan zuilen en denominaties. georganiseerd. Het wordt in de eerste plaats door individuen en professionals zelf gedaan, vanuit hun eigen vragen en uitdagingen. De waardenwerkers die wij opleiden kunnen voeding en steun bieden bij het reflexief ontwikkelen daarvan en bij het inbedden daarvan in organisaties. Zodoende kun je aansluiten bij allerlei vormen van impliciet humanisme. Het verder uitwerken en hopelijk ook praktisch doen landen van waardenwerk in het verlengde van al het onderzoek dat we doen rond normatieve professionalisering, is een van mijn prioriteiten voor de komende drie jaar, naast het schrijven van een nieuw boek en allerlei artikelen.

Tenslotte begeleid ik een groot aantal promovendi binnen onze nieuwe Graduate School. Die is een groot succes, we hebben duidelijk een maatschappelijke behoefte aangeboord, voor een flink deel onder professionals die in hun eigen werk met organisatieontwikkeling bezig zijn. Dat is een groot onderzoekspotentieel, maar ook een maatschappelijk veranderpotentieel. Ik vind het erg belangrijk om te helpen die promoties naar een goede voltooiing te brengen. Dat is mooi en zingevend werk voor de komende jaren.”

Reageer op dit verhaal

Reageer

Je e-mailadres wordt niet getoond. Velden met een * zijn verplicht.

*